Je eigen installatie, conform het AREI
Van de kleur van een draad tot de differentieel van je laadpaal. Elke module legt uit wat het AREI eist, waarom die regel bestaat en hoe je hem in je eigen woning toepast. Sluit elke module af met de toets; je voortgang blijft in deze browser bewaard.
Voor je begint
Je leert: wat je als particulier zelf mag doen, wat altijd verplicht blijft, en hoe je veilig werkt.
Het AREI (Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties) is het Belgische koninklijk besluit dat vastlegt hoe elektrische installaties moeten worden ontworpen, aangelegd en gekeurd. Sinds 1 juni 2020 is het opgesplitst in drie boeken. Voor een woning heb je Boek 1 nodig: installaties op laagspanning en zeer lage spanning.
Als particulier mag je je eigen woning zelf bekabelen. Wat je niet zelf kan doen: de installatie goedkeuren. Een nieuwe installatie, een uitbreiding of een belangrijke wijziging moet vóór ingebruikname gekeurd worden door een erkend keuringsorganisme. De netbeheerder (Fluvius in Vlaanderen) opent geen nieuwe meter zonder conform keuringsverslag.
Bij brand of een ongeval vraagt je verzekeraar naar het keuringsverslag. Een installatie die niet conform is, kan tussenkomst kosten. De keuring is dus geen formaliteit: ze is jouw bewijs.
Veilig werken: de vijf gouden regels
- Vrijschakelen. Zet de automaat van de kring uit, en bij twijfel de hoofdschakelaar.
- Beveiligen tegen herinschakelen. Plak de automaat af of hang er een briefje aan. Huisgenoten zetten "de zekering die gesprongen is" graag terug op.
- Spanningsloosheid meten. Met een tweepolige spanningstester, niet met een schroevendraaier met lampje. Test de tester eerst op een stopcontact dat wél onder spanning staat.
- Aarden en kortsluiten. In woningen zelden nodig; relevant voor grotere installaties en PV-strings.
- Afschermen van nabije delen onder spanning. Bijvoorbeeld de ingangsklemmen van je bord, die blijven onder spanning, ook als de hoofdschakelaar uit staat.
Alles vóór de meter en de klemmen van de meter zelf zijn van de netbeheerder. Daar kom je niet aan. Ook de DC-kant van zonnepanelen blijft onder spanning zolang er licht op valt; een omvormer uitschakelen maakt de strings niet spanningsloos.
Basis: spanning, stroom en draad
Je leert: rekenen met vermogen, de kleurcode herkennen en de juiste kabel kiezen.
Een woning in België krijgt 230 V wisselspanning (eenfasig), of 3×230 V of 3×400 V (driefasig). Het vermogen van een toestel is spanning maal stroom: P = U × I. Een waterkoker van 2300 W trekt dus 10 A.
Kleurcode van geleiders
Kabeltypes die je tegenkomt
| Type | Wat | Waar gebruiken |
|---|---|---|
| VOB | Enkele geïsoleerde draad | Altijd in een buis of goot (inbouw of opbouw) |
| XVB (-F2) | Kabel met meerdere aders en stevige mantel | Zichtbaar op de muur, in de grond (met bescherming), buiten, naar tuinhuis |
| EXVB | Gewapende kabel | In de grond waar mechanische bescherming nodig is |
| SVV / H05VV-F | Soepel snoer | Alleen voor toestellen en verlengsnoeren, niet als vaste bekabeling |
Kabels hebben ook een brandklasse volgens de Europese bouwproductenverordening (CPR), zoals Eca of Cca-s1,d1,a1. Controleer bij aankoop dat de kabel de klasse heeft die het AREI voor jouw toepassing vraagt; bij twijfel neem je de betere klasse.
Materiaal en begrippen
Je leert: de onderdelen van je bord, de soorten schakelaars en stopcontacten, en de woorden die het AREI en je keurder gebruiken.
Voor je kringen gaat ontwerpen, moet je weten welke stukken er in je installatie zitten en wat ze doen. Deze module is je woordenboek. Kom gerust terug als je verder in de cursus een term tegenkomt.
Kring, stroombaan en punt
- Stroombaan of kring: alles wat achter één automaat hangt. Het AREI zegt "stroombaan", elektriciens zeggen meestal "kring".
- Eindstroombaan: een kring waar rechtstreeks verbruikers op hangen (lampen, stopcontacten, een toestel). Een kabel naar een onderverdeelbord is geen eindstroombaan.
- Punt: één plaats op de kring. Een lichtpunt is één plaats waar een lamp hangt. Een stopcontactpunt is één afdekplaat met één of meer stopcontacten. Een dubbel stopcontact onder één plaat telt dus als één punt.
- Toegewezen kring: een kring voor één toestel, bijvoorbeeld de wasmachine.
- Sectie: de doorsnede van het koper in een draad, in mm². Hoe dikker, hoe meer stroom de draad aankan zonder warm te worden.
Wat zit er in je verdeelbord
Het verdeelbord (zekeringkast) is waar de voeding van de meter over je kringen verdeeld wordt. Alle toestellen klikken op een metalen rail van 35 mm, de DIN-rail. Hun breedte meet je in modules van 18 mm; een automaat is meestal 1 module breed.
| Onderdeel | Wat doet het |
|---|---|
| Hoofdschakelaar | Schakelt de hele installatie uit. Vaak gecombineerd met de hoofddifferentieel. |
| Automaat (automatische zekering) | Schakelt een kring uit bij te veel stroom. Na een fout zet je hem gewoon weer op. Op het toestel staat bv. C16: curve C, 16 A. |
| Smeltzekering | De oudere variant: een patroon met een draadje dat doorsmelt. Na een fout vervang je het patroon. Kom je nog tegen in oude borden. |
| Differentieel (verliesstroomschakelaar) | Schakelt uit als er stroom weglekt naar de aarde. Beschermt mensen en voorkomt brand. Uitgelegd in module 05. |
| Nulrail en aardrail | Verzamelklemmen voor alle blauwe en alle geel-groene draden. |
| Kam (busbar) | Koperen strip die de automaten onderling voedt, zodat je niet elke automaat apart moet doorverbinden. |
| Onderverdeelbord | Een tweede, kleiner bord (bv. in de garage of op zolder), gevoed vanuit het hoofdbord. |
Een automaat reageert op twee soorten fouten. Bij overbelasting vraag je iets te veel stroom, bijvoorbeeld een droogkast en een oven op dezelfde kring. De automaat laat dat even toe en schakelt na enkele seconden tot minuten uit, voor de draad te warm wordt. Bij kortsluiting raken fase en nul elkaar rechtstreeks. Dan loopt er in een flits honderden ampère en schakelt hij meteen uit. De letter op de automaat (B, C, D) bepaalt hoe snel hij bij grote stromen reageert; in woningen gebruik je bijna altijd C.
Schakelaars: enkelpolig en tweepolig
Een pool is één geleider die de schakelaar onderbreekt. Een enkelpolige schakelaar onderbreekt alleen de fase; de nul loopt gewoon door naar de lamp. Een tweepolige schakelaar onderbreekt fase én nul tegelijk. Op de achterkant zie je het verschil: een enkelpolige heeft twee klemmen, een tweepolige vier.
| Schakeling | Wanneer | Hoe |
|---|---|---|
| Enkelvoudig | Eén lamp, één bedieningsplaats | Eén enkelpolige schakelaar |
| Dubbel (serieschakelaar) | Twee lampen of groepen apart bedienen vanaf één plaats | Twee schakelaars onder één plaat |
| Hotelschakeling (wisselschakeling) | Eén lamp vanaf twee plaatsen, bv. boven en onder aan de trap | Twee wisselschakelaars met twee draden ertussen (de "wisseldraden") |
| Kruisschakeling | Drie of meer bedieningsplaatsen | Wisselschakelaars aan de uiteinden, kruisschakelaars ertussen |
| Teleruptor | Veel bedieningsplaatsen, bv. een lange gang | Drukknoppen sturen een relais in het bord aan; elke druk wisselt aan/uit |
| Dimmer | Lichtsterkte regelen | Controleer of de dimmer bij je ledlampen past (fase-afsnijding of -aansnijding) |
In module 03 werk je elk van deze schakelingen uit, met klikbare schema's.
Stopcontacten (contactdozen)
- In België gebruik je het type met aardingspen (penaarde): de pen steekt uit het stopcontact en raakt de aardingsopening van de stekker.
- Kinderbeveiliging: sluitertjes in de openingen die enkel opengaan als beide polen tegelijk worden ingedrukt. Verplicht in woningen.
- Inbouwdoos: de ronde doos in de muur waarin het stopcontact of de schakelaar vastzit. Alle verbindingen zitten in een doos, nooit los in de muur.
- Verbindingsklemmen: draden verbind je met schroef- of steekklemmen (zoals Wago), niet door ze in elkaar te draaien met isolatietape errond.
Beschermingsgraad: de IP-code
De IP-code op materiaal zegt hoe goed het beschermd is tegen binnendringen. Het eerste cijfer gaat over vaste voorwerpen en stof, het tweede over water. Een X betekent "niet getest voor dit deel".
| Code | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| IP20 | Vingers kunnen er niet in, geen waterbescherming | Gewoon stopcontact in de living |
| IPX4 | Bestand tegen opspattend water uit alle richtingen | Lamp in badkamer volume 1 |
| IP44 | Kleine voorwerpen (≥1 mm) + opspattend water | Buitenstopcontact met klapdeksel |
| IPX5 | Bestand tegen waterstralen | Materiaal in een douche met straal |
| IPX7 | Tijdelijk onderdompelen | Verlichting in een bad (volume 0) |
Toestelklassen en zeer lage spanning
| Klasse | Bescherming | Herkennen |
|---|---|---|
| Klasse I | Metalen behuizing verbonden met de aarding | Stekker met aardingsopening, bv. wasmachine, oven |
| Klasse II | Dubbel geïsoleerd, geen aarding nodig | Symbool van twee vierkantjes in elkaar, platte stekker |
| Klasse III | Werkt op zeer lage spanning | Via transformator of adapter, bv. 12 V ledstrip |
ZLVS (zeer lage veiligheidsspanning, internationaal SELV) is een spanning van maximaal 50 V wisselspanning of 120 V gelijkspanning, gevoed via een veiligheidstransformator en volledig gescheiden van het net. In de badkamer gelden nog lagere grenzen.
Schakelingen
Je leert: hoe de gangbare lichtschakelingen werken, hoeveel draden je tussen de punten nodig hebt en welke schakeling je waar kiest.
Elke schakeling hieronder is een werkend schema. Klik op een schakelaar of drukknop (of gebruik Tab en Enter) en kijk welke draden onder spanning komen. Bruin betekent onder spanning, grijs spanningsloos.
De schakelaar onderbreekt altijd de fase. De nul en de beschermingsgeleider gaan rechtstreeks naar de lamp, zonder via de schakelaar te passeren. Blauw en geel-groen gebruik je nooit als schakeldraad.
Het AREI legt enkel blauw (nul) en geel-groen (aarde) vast. In de praktijk gebruiken veel installateurs bruin voor de fase, zwart voor de geschakelde draad naar de lamp en grijs voor de wisseldraden. Kies één systeem en hou het overal vol: wie later je dozen opent, zal je dankbaar zijn.
1. Enkelvoudige schakeling
Eén lamp (of groep lampen), één bedieningsplaats. De basis van alles.
| Tussen | Draden |
|---|---|
| Schakelaar en lamp | 1 geschakelde fase (de "retour") |
| Voeding en schakelaar | 1 fase |
| Voeding en lamp | nul + aarde |
2. Dubbele schakeling (serieschakelaar)
Twee lampen of groepen, apart te bedienen vanaf één plaats. Denk aan een plafondlamp en spots in de living. Het is één schakelaar met twee wippen onder één plaat. De fase komt één keer binnen en wordt intern naar beide wippen gevoerd.
| Tussen | Draden |
|---|---|
| Voeding en schakelaar | 1 fase |
| Schakelaar en lampen | 2 geschakelde fases (één per lamp) |
3. Hotelschakeling (wisselschakeling)
Eén lamp, twee bedieningsplaatsen: boven en onder aan de trap, of aan beide deuren van een lange kamer. In Vlaanderen heet dat een hotelschakeling, de schakelaars heten wisselschakelaars of hotelschakelaars.
Een wisselschakelaar heeft drie klemmen: één gemeenschappelijke (vaak gemerkt met L of een pijltje) en twee wisselcontacten. De gemeenschappelijke klem maakt altijd contact met één van de twee. Tussen de twee schakelaars lopen twee wisseldraden. De lamp brandt als beide schakelaars "dezelfde" wisseldraad kiezen.
| Tussen | Draden |
|---|---|
| Voeding en wisselschakelaar 1 | 1 fase, op de gemeenschappelijke klem |
| Wisselschakelaar 1 en 2 | 2 wisseldraden |
| Wisselschakelaar 2 en lamp | 1 geschakelde fase, van de gemeenschappelijke klem |
De fase op een wisselcontact aansluiten in plaats van op de gemeenschappelijke klem. De schakeling werkt dan "soms": in bepaalde standen van de ene schakelaar doet de andere niets meer. Kijk op de achterkant welke klem de gemeenschappelijke is.
4. Kruisschakeling
Drie of meer bedieningsplaatsen, bijvoorbeeld een gang met drie deuren. Aan de twee uiteinden staat een wisselschakelaar, daartussen één of meer kruisschakelaars. Een kruisschakelaar heeft vier klemmen: twee wisseldraden in, twee uit. In de ene stand gaan ze recht door, in de andere wisselt hij ze om.
Vanaf vier bedieningsplaatsen wordt een kruisschakeling een kluwen van wisseldraden. Kies dan een teleruptor.
5. Teleruptor
Een teleruptor is een relais in het bord dat bij elke puls omklapt: aan, uit, aan. Je bedient hem met drukknoppen (die veren terug), en je mag er zoveel parallel op zetten als je wil. Zo vervang je een ingewikkelde kruisschakeling door één simpele stuurdraad die langs alle drukknoppen loopt.
- De spoel van de teleruptor wordt gestuurd op 230 V, of op zeer lage spanning (8, 12 of 24 V) via een beltransformator. Een lage stuurspanning is handig als je later wil automatiseren.
- Het vermogenscontact van de teleruptor zit in het bord en schakelt de fase naar de lampen.
- Op het eendraadschema teken je de teleruptor met zijn drukknoppen en de lampen die hij schakelt.
6. Trappenhuisautomaat (minuterie)
Hetzelfde principe als een teleruptor, maar de lamp gaat na een ingestelde tijd vanzelf uit. Typisch voor een gemeenschappelijke trappenhal, een kelder of een garage. Elke druk start de tijd opnieuw. In deze demo staat hij op 6 seconden.
Schakelaars echt aansluiten: L, 1, 1'
Op de achterkant van een schakelaar staan letters en cijfers bij de klemmen. Die vertellen welke draad waar komt. De afspraak is bij de meeste merken dezelfde:
- L (soms P of een pijltje): hier komt de fase binnen, of bij de tweede wisselschakelaar de draad die naar de lamp gaat. Dit is de gemeenschappelijke klem.
- 1, 2: uitgangen. Bij een serieschakelaar is 1 de eerste wip en 2 de tweede.
- 1' (spreek uit: "één accent"): het tweede contact van dezelfde wip. Een wisselschakelaar heeft 1 én 1'; daar komen de twee wisseldraden.
- L1, L2: bij een dubbele schakelaar (twee schakelaars onder één plaat) hoort L1 bij de eerste en L2 bij de tweede. Zo krijg je bij een dubbele wisselschakelaar L1, 1, 1' en L2, 2, 2'.
Kies hieronder een schakelaar en zie de achterkant met de draden erop.
- Kijk altijd eerst naar het tekeningetje op de achterkant; bij een twijfelgeval volgt het dat, niet deze tabel.
- Strip de draad op de lengte die op de schakelaar staat (vaak een stripmaat van 8 à 10 mm). Er mag geen blank koper naast de klem uitsteken.
- Bij steekklemmen: draad recht en tot de aanslag insteken, dan even trekken om te controleren. Losmaken gaat met het ontgrendelknopje of een kleine schroevendraaier in de opening ernaast.
- Geen dubbele draad in een klem, tenzij de klem daarvoor gemaakt is (bij veel stopcontacten zijn er dubbele klemmen om door te lussen).
- Markeer bij een serieschakelaar of een dubbele wissel welke zwarte draad bij welke lamp hoort, met een stukje tape of een merkring.
Andere bedieningen
| Bediening | Werking | Let op |
|---|---|---|
| Bewegingsmelder | Schakelt de fase naar de lamp zolang er beweging is, vaak ook afhankelijk van het daglicht | De meeste melders hebben ook de nul nodig voor hun eigen elektronica. Buiten: IP44 of beter. |
| Dimmer | Regelt de lichtsterkte in plaats van enkel aan/uit | Kies een dimmer die past bij je ledlampen en lampen die als dimbaar verkocht worden. Respecteer het minimum- en maximumvermogen. |
| Geschakeld stopcontact | Een schakelaar aan de deur bedient een stopcontact, bv. voor een staande lamp | De kring is dan een stopcontactkring: 2,5 mm² tot en met de schakelaar, en een schakelaar geschikt voor 16 A. |
| Slimme module | Relais in de doos achter een drukknop of schakelaar, bediend via app of domotica | Zie module 13. Past alleen als de doos diep genoeg is en de nul aanwezig is. |
Trek bij het bekabelen de nul ook naar elke schakelaardoos, ook al heb je hem vandaag niet nodig. Bewegingsmelders, verlichte schakelaars en slimme modules vragen er bijna allemaal om. Een extra draad nu kost bijna niets; achteraf moet je slijpen.
Stroombanen (kringen)
Je leert: welke sectie bij welke beveiliging hoort, hoeveel punten op een kring mogen en welke toestellen een eigen kring krijgen.
Termen als automaat, punt of tweepolige schakelaar zijn nieuw voor je? Lees eerst module 02.
Een stroombaan of kring is alles wat achter één automaat hangt. De automaat beschermt de kabel, niet het toestel: hij moet uitschakelen voordat de draad te warm wordt. Daarom hangt de maximale beveiliging af van de sectie.
| Sectie koper | Max. automaat | Max. smeltzekering | Typisch gebruik |
|---|---|---|---|
| 1,5 mm² | 16 A | 10 A | Verlichting |
| 2,5 mm² | 20 A | 16 A | Stopcontacten, gemengde kring, wasmachine |
| 4 mm² | 25 A | 20 A | Zwaardere toestellen, voeding tuinhuis |
| 6 mm² | 32 A | 25 A | Kookplaat, laadpaal (afhankelijk van lengte) |
| 10 mm² | 40 A | 32 A | Voeding onderverdeelbord |
Dit zijn de gangbare waarden voor huishoudelijke installaties bij normale plaatsingswijze. Lange lijnen (spanningsval) of kabels in isolatie of gebundeld kunnen een grotere sectie vragen.
Maximaal 8 punten met contactdozen per kring. Een meervoudig stopcontact onder één afdekplaat telt als één punt. Stopcontacten in een woning hebben een aardingspen en kinderbeveiliging.
Licht en stopcontacten samen op één kring mag, maar dan is de hele kring in 2,5 mm², met maximaal 8 punten samen. Beveiliging: 16 A, of 20 A als alle schakelaars tweepolig zijn en voor 16 A geschikt.
Wasmachine, vaatwasser, droogkast, elektrische oven en kookplaat krijgen elk een eigen kring. Dat geldt ook voor zware vaste verbruikers zoals een laadpaal, warmtepomp of elektrische boiler.
Maak een kring per kamer of zone, niet per verdieping. Als er een automaat uitvalt, zit dan niet het halve huis in het donker. Plan in de keuken minstens twee stopcontactkringen voor het aanrecht.
Kringcontrole
Stel een kring samen en zie meteen of hij de AREI-regels uit deze module haalt.
Differentieelschakelaars
Je leert: het verschil tussen 300 mA en 30 mA, welk type je nodig hebt en hoe je het bord opbouwt.
Een automaat meet hoeveel stroom er loopt. Een differentieel meet of de stroom die via de fase vertrekt ook via de nul terugkomt. Is er een verschil, dan lekt er stroom weg, misschien door iemand heen. Vanaf de ingestelde waarde schakelt hij af.
- Aan het begin van de installatie: een hoofddifferentieel van max. 300 mA, type A.
- Alle kringen met verlichting en stopcontacten: achter een differentieel van max. 30 mA, type A.
- Maximaal 8 eindstroombanen per differentieel van 30 mA.
- Vaste toestellen zonder stopcontact (inbouwkookplaat, oven, rolluiken) mogen direct achter de 300 mA.
- In huishoudelijke installaties is type A vereist; type AC plaats je niet meer.
Een lekstroom van enkele tientallen milliampère door het lichaam kan het hart uit zijn ritme brengen. 30 mA schakelt af voordat dat gebeurt. 300 mA is vooral een brandbeveiliging: een lekstroom van die grootte in een vochtige muur kan genoeg warmte geven om brand te veroorzaken.
Druk elke maand op de testknop (T) van elke differentieel. Hij moet meteen uitschakelen. Doet hij dat niet, laat hem vervangen.
Installaties die conform waren onder de regels van hun aanlegdatum, blijven dat. De nieuwe regels gelden voor wat je nieuw aanlegt of grondig wijzigt. Voeg je een kring toe, dan moet die wel aan de huidige eisen voldoen.
Aarding en equipotentiaal
Je leert: hoe de aarding werkt, welke waarde ze moet halen en wat je aan de aarding verbindt.
In België werken woningen met een TT-net: de netbeheerder aardt zijn nul, jij zorgt voor je eigen aarding. Elke metalen behuizing (klasse I-toestel) is via de geel-groene draad verbonden met de aarding. Bij een isolatiefout vloeit de stroom naar de aarde en schakelt de differentieel af.
De aardingsweerstand van een woning is bij voorkeur ≤ 30 Ω. Tot 100 Ω kan worden aanvaard als er bijkomende beschermingsmaatregelen met differentiëlen van 30 mA zijn. Daarboven moet de aarding verbeterd worden.
Onderdelen van de aarding
- Aardelektrode: bij nieuwbouw een aardlus in de funderingssleuf (blanke koperdraad, onder het gebouw rondgelegd). Bij renovatie aardpennen.
- Meetklem: een scheidbare verbinding tussen aardelektrode en hoofdaardklem, zodat de keurder kan meten.
- Hoofdaardingsgeleider: van meetklem naar de aardrail in je bord.
- Hoofdequipotentiaalverbindingen: leidingen voor water, gas en verwarming en metalen bouwdelen worden aan de hoofdaardklem gekoppeld, vlak waar ze het gebouw binnenkomen.
- Bijkomende equipotentiaalverbindingen: in ruimten met bad of douche, volgens hoofdstuk 7.1 (zie module 07).
Gevaar ontstaat als je twee dingen aanraakt met een verschillende spanning, bijvoorbeeld een defecte wasmachine en een waterkraan. Als alle metalen delen met elkaar verbonden zijn, is er geen spanningsverschil en loopt er dus geen stroom door jou.
Laat bij nieuwbouw de aardlus leggen vóór de fundering gestort wordt. Achteraf kan dat niet meer en ben je aangewezen op pennen, die in droge zandgrond (zoals in de Kempen) soms moeilijk onder de 30 Ω komen.
Badkamer en douche
Je leert: de volumes volgens het herschreven hoofdstuk 7.1 (van kracht sinds 1 maart 2025) en wat je waar mag plaatsen.
Hoofdstuk 7.1 werd volledig herschreven en afgestemd op de internationale norm IEC 60364-7-701. De grootste veranderingen: volume 1bis en volume 3 bestaan niet meer. Een badkamer kent nog volume 0, 1 en 2; een aparte douche enkel volume 0 en 1. De rest van de ruimte heet gewoon "de ruimte" en wordt afgebakend door vloer, plafond (of max. 3 m hoogte) en wanden.
| Volume | Wat mag | Wat mag niet |
|---|---|---|
| 0 | Enkel materieel op zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS/SELV, max. 12 V AC) en specifiek voor dat volume, IPX7 | Contactdozen, schakelaars, 230 V-toestellen |
| 1 | Vast opgestelde toestellen die daarvoor bedoeld zijn (verlichting, ventilator, boiler) met minstens IPX4, IPX5 waar straalwater kan | Contactdozen, gewone schakelaars |
| 2 | Verlichting, verwarming, ventilatie met aangepaste IP-graad; contactdozen enkel onder strikte voorwaarden | Materieel zonder voldoende IP-bescherming |
| Ruimte | Contactdozen en schakelaars (met aardingspen en kinderbeveiliging) | — |
Alle kringen in een ruimte met bad of douche zitten achter een differentieel van max. 30 mA. Een aparte "badkamerdifferentieel" is niet meer nodig: sinds 2023 hangen verlichting en stopcontacten sowieso achter 30 mA.
Twijfel je over een stopcontact in volume 2? Zet het net daarbuiten, in de ruimte. Dat is altijd goed, en de keurder hoeft er niet over te discussiëren.
Kringplanner
Je leert: alle regels tot nu toe samen toepassen op je eigen woning, van kamers tot een eerste bordindeling.
Vul je kamers in met het aantal lichtpunten en stopcontactpunten (afdekplaten), en vink de toestellen aan die een eigen kring krijgen. De planner stelt kringen voor en verdeelt ze over de differentiëlen. Er staat een voorbeeldwoning in; pas die aan naar je eigen huis.
| Ruimte | Soort | Niveau | Lichtpunten | Stopcontactpunten | Verwijderen |
|---|
Eendraadschema (voorstel)
Automatisch getekend uit je plan hierboven, met de symbolen uit module 09. De kringletters, automaten en secties zijn een eerste voorstel; de volgorde van de punten op elke kring bepaal je pas als je weet hoe de kabel door het huis loopt.
- Verlichting per niveau, 1,5 mm² met automaat van 16 A, max. 10 lichtpunten per kring. Dat laatste is geen AREI-grens maar een praktische keuze.
- Stopcontacten per niveau, 2,5 mm² met 20 A, max. 8 punten per kring. De keuken krijgt minstens twee eigen stopcontactkringen en de badkamer een eigen kring.
- Buiten wordt een aparte gemengde kring in 2,5 mm² met 16 A.
- Alles met stopcontacten of verlichting komt achter een differentieel van 30 mA, max. 8 per differentieel, met minstens twee differentiëlen. De verlichtingskringen worden gespreid, zodat er bij een uitval nog licht is.
- Vast aangesloten toestellen (kookplaat, oven, boiler, warmtepomp, omvormer) komen direct achter de hoofddifferentieel van 300 mA. De laadpaal krijgt een eigen differentieel met DC-detectie.
- De planner gaat uit van een eenfasige aansluiting en gangbare secties bij korte afstanden.
Gebruik de uitkomst, met het schema hierboven, als startpunt voor je eendraadschema en als gespreksbasis met je installateur of keurder. Lange kabels, driefasige toestellen of speciale eisen van een fabrikant kunnen een andere sectie of beveiliging vragen. Het schema toont nog niet de volgorde van de punten op elke kring, en het situatieplan (waar elk punt in huis staat) teken je er apart bij.
Symbolen en eendraadschema
Je leert: de symbolen voor de punten in je woning lezen en herkennen, en hoe je één kring op een eendraadschema zet.
Het eendraadschema toont je installatie als één lijn per kring. Je tekent niet elke draad, maar enkel wat er op de kring zit en in welke volgorde. De symbolen staan in AREI Boek 1 (afdeling 2.13, tabel 2.23) en zijn gebaseerd op de internationale norm IEC 60617.
De symbolen hieronder zijn nagetekend volgens tabel 2.23 van het AREI (afdeling 2.13), lijnvoering vereenvoudigd om ze te leren herkennen. Voor je definitieve schema neem je de officiële symbolentabel van het AREI (FOD Economie) of een tekenprogramma dat ermee werkt, zoals eendraadschema.app.
De belangrijkste symbolen
Het patroon bij schakelaars: een cirkeltje met een schuine lijn. Een kale lijn is enkelpolig; drie korte dwarsstreepjes erop staan voor twee- of driepolig. Een lijn die aan beide kanten van het cirkeltje doorloopt, elk uiteinde met een klein haakje, is een wisselschakelaar; vier van die armen samen in een kruis is een kruisschakelaar. Een lichtpunt is geen cirkel met een kruis, maar gewoon een lijn die eindigt op een kruis.
Oefen: welk symbool is dit?
Wat staat er per kring op het schema
| Gegeven | Voorbeeld |
|---|---|
| Kringletter | A |
| Beveiliging: automaat (kaliber en curve) | C20 |
| Differentieel erboven (gevoeligheid, type) | 30 mA · A |
| Kabeltype en sectie | XVB 3G2,5 of VOB 2,5 in buis |
| Plaatsingswijze | ingewerkt, opbouw, in de grond |
| Punten in volgorde, met nummer | A1, A2, A3… |
Voorbeeld: kring A, de living
Twee dubbele stopcontacten, één enkel stopcontact en een lichtpunt met een schakelaar, in de volgorde waarin de kabel ze bereikt.
- Begin bovenaan met de teller, dan de hoofdschakelaar en hoofddifferentieel.
- Teken de differentiëlen van 30 mA met eronder hun automaten, elk met de kringletter.
- Loop per kring de kabel af zoals hij in huis ligt en zet elk punt in die volgorde op de lijn.
- Nummer elk punt (A1, A2…) en zet dezelfde nummers op het situatieschema, bij het punt op het grondplan.
- Schrijf bij elke kring kabel, sectie en plaatsingswijze.
Schema's en keuring
Je leert: welke documenten je nodig hebt en hoe de keuring verloopt.
Zonder schema's geen keuring. Het AREI vraagt twee tekeningen, samen met het keuringsverslag het "elektrisch dossier" van je woning. Hoe je de symbolen leest en een kring tekent, zie je in module 09; een eerste indeling maak je met de kringplanner.
| Document | Wat staat erop |
|---|---|
| Eendraadschema | De logische opbouw: teller, hoofddifferentieel, differentiëlen, automaten, en per kring alle punten met de AREI-symbolen. Per kring de sectie, het kabeltype en de beveiliging. |
| Situatieschema | Het grondplan per verdieping met de fysieke plaats van elk stopcontact, lichtpunt, schakelaar en toestel, genummerd zoals op het eendraadschema. |
Geef elke kring een letter (A, B, C…) en elk punt een nummer (A1, A2…). Zet dezelfde codes op de etiketten in je bord. De keurder volgt zo een kring van het schema naar de muur en terug.
Wat de keurder doet
- Documenten nakijken: eendraadschema, situatieschema, EAN-code van de aansluiting.
- Visuele controle: kleurcodes, secties, beveiligingen, etiketten, badkamervolumes, bevestiging van kabels.
- Metingen: aardingsweerstand, isolatieweerstand, werking en gevoeligheid van elke differentieel, continuïteit van de beschermingsgeleiders.
- Verslag: conform of niet-conform, met de lijst van inbreuken.
- Een conform verslag voor een huishoudelijke installatie is 25 jaar geldig.
- Bij verkoop van een woning is een keuringsverslag verplicht. Bij een niet-conform verslag heeft de koper 18 maanden na de akte om de installatie in orde te brengen en te laten herkeuren (voorheen 12 maanden).
- Gemeenschappelijke delen van appartementsgebouwen zijn niet-huishoudelijk en worden om de 5 jaar gekeurd.
Laadpaal
Je leert: hoe je een thuislaadpunt conform AREI hoofdstuk 7.22 aansluit.
Een laadpaal bevat vermogenselektronica die bij een fout een gelijkstroomlek kan veroorzaken. Een gewone differentieel type A werkt maar gegarandeerd tot 6 mA gelijkstroom. Daarboven kan zijn kern verzadigen: hij wordt "blind" en schakelt ook bij een gewone fout niet meer af.
- Elk laadpunt krijgt een eigen toegewezen kring.
- Beveiliging met een differentieel van max. 30 mA waarvan de werking gegarandeerd blijft bij een gelijkstroomcomponent. Dat kan op twee manieren:
- een differentieel type B, of
- een differentieel type A in combinatie met een detectie van 6 mA DC (RDC-DD), die in de meeste recente laadpalen ingebouwd is.
- De 6 mA-detectie deel je nooit over meerdere laadpunten.
Twee laadpalen, elk met eigen detectie, samen achter één gewone type A-differentieel (bv. de hoofddifferentieel). Kleine DC-lekstromen tellen op en kunnen die type A verblinden. Oplossing: de laadkringen parallel aftakken vóór de type A, of de bovenliggende differentieel vervangen door een type B. Een type A mag nooit bovenstrooms van een type B staan.
Stappenplan
- Check de handleiding van je laadpaal: heeft hij ingebouwde 6 mA DC-detectie? Welke voorbeveiliging schrijft de fabrikant voor?
- Bereken de sectie in functie van de laadstroom en de afstand. 6 mm² voor 32 A is gangbaar; bij lange trajecten ga je hoger.
- Plaats in het bord: automaat + differentieel 30 mA (type A met detectie in de paal, anders type B).
- Zet de laadpaal op je eendraad- en situatieschema en laat de uitbreiding keuren.
Zonnepanelen en thuisbatterij
Je leert: wat er sinds 1 april 2026 verandert en wat altijd op je schema moet.
Het KB van 6 oktober 2025 bracht voor het eerst een volledig kader voor gelijkstroominstallaties in Boek 1. Het is van toepassing op installaties die vanaf 1 april 2026 worden aangelegd of gewijzigd. Wat vóór die datum conform gekeurd werd, blijft conform.
- Netsystemen (TN, TT, IT) worden nu ook voor gelijkstroom gedefinieerd, met eigen beschermingsmaatregelen.
- De keuze van de differentieel houdt rekening met gladde of gerimpelde gelijkstroomfouten; waar gladde DC kan lekken, is type B of een gelijkwaardige oplossing nodig.
- De omvormer, de batterij en de DC-bekabeling staan op het eendraad- en situatieschema. Ontbreken ze, dan keurt de keurder af.
Zonnepanelen (PV)
- De omvormer hangt op een eigen kring met een eigen automaat.
- Plaats een zichtbare scheidingsschakelaar aan AC-zijde, en aan DC-zijde volgens de voorschriften van de omvormer.
- Etiketteer het bord: "Opgelet, installatie met twee voedingsbronnen".
- Meld de installatie aan bij de netbeheerder en laat haar keuren vóór ingebruikname.
Thuisbatterij
- Een AC-gekoppelde batterij heeft een eigen omvormer en eigen kring; een DC-gekoppelde batterij (hybride omvormer) valt onder de nieuwe DC-regels.
- Volg de fabrikant voor ventilatie, plaatsing en afstand tot brandbare materialen.
- Batterij, omvormer en beveiligingen komen op beide schema's.
DC-strings van zonnepanelen halen makkelijk 400 tot 600 V en een DC-boog dooft niet vanzelf zoals een AC-boog. Werk aan de DC-kant laat je bij voorkeur over aan een installateur met ervaring in PV.
Domotica en eindtest
Je leert: hoe je slimme sturing en zeer lage spanning conform integreert, en je test alles samen.
Domotica, zoals KNX, een Shelly achter een schakelaar of een DIN-relais aangestuurd door Home Assistant, verandert niets aan de basisregels: sectie, beveiliging, differentieel en aantal punten blijven gelden. Er komen wel een paar aandachtspunten bij.
- Scheiding van spanningen: busleidingen en 24 V-kabels (ZLVS) liggen niet los tussen 230 V-draden in dezelfde doos, tenzij ze geïsoleerd zijn voor de hoogste spanning of fysiek gescheiden.
- Modules in inbouwdozen: gebruik enkel CE-gemarkeerde modules, respecteer de maximale belasting en voorzie voldoende ruimte en ventilatie in de doos.
- Schema: het eendraadschema toont wat de verbruikers schakelt (relais, dimmer, module) en achter welke automaat die staat.
- Schakelen in de fase: een relais of schakelaar onderbreekt altijd de fase, nooit enkel de nul.
- Elke kring heeft een etiket in het bord dat overeenkomt met het schema.
- Geen enkele kring met licht of stopcontacten hangt enkel achter de 300 mA.
- Max. 8 kringen per 30 mA-differentieel, max. 8 contactpunten per kring.
- Alle dozen dicht, alle afdekplaten gemonteerd, geen blanke draad zichtbaar.
- Aardlus of aardpennen bereikbaar via de meetklem.
- Alle differentiëlen getest met de testknop.
Foutzoeken
Je leert: systematisch uitzoeken waarom iets uitvalt, wat je zelf veilig kan doen en wanneer je stopt.
De meeste storingen in een woning volgen een vast patroon. Wie methodisch werkt, vindt de oorzaak meestal in een paar minuten, zonder een doos te openen. De hoofdregel: eerst isoleren, dan pas openmaken.
- Een stopcontact, schakelaar of stekker die warm of bruin verkleurd is, of een brandgeur.
- Knetteren of vonken in een doos of in het bord.
- Een automaat of differentieel die meteen opnieuw uitvalt, ook met alle toestellen uitgetrokken.
- Water in een doos, een bord of een buitenstopcontact.
Schakel in die gevallen de kring uit en laat hem uit.
Wegwijzer: wat is er gebeurd?
Klik je situatie aan en volg de stappen.
Je meetgereedschap
| Toestel | Waarvoor | Let op |
|---|---|---|
| Tweepolige spanningstester | Nagaan of er spanning staat, vóór je werkt | Het veiligste toestel voor een leek. Test hem eerst op een werkend stopcontact. |
| Multimeter | Spanning meten (V~), doorgang en weerstand (enkel spanningsloos) | Kies een toestel met minstens CAT III 300 V. Meet nooit stroom (A) door de meetpennen in een stopcontact te steken: dat is een kortsluiting. |
| Stopcontacttester | Snel zien of fase, nul en aarde aanwezig zijn | Handig, maar geen vervanging voor een echte meting. |
| Contactloze spanningzoeker | Een draad in de muur terugvinden, snel een eerste check | Niet betrouwbaar om spanningsloosheid vast te stellen. |
Spanning aan een stopcontact (ongeveer 230 V tussen fase en nul, 0 tot enkele volt tussen nul en aarde). Doorgang van een draad of een lamp, maar alleen als de kring uit staat. Isolatieweerstand en aardingsweerstand meten vraagt speciale toestellen; dat doet de keurder of de installateur.